Mooie Jaren

Gisterenavond iets gaan drinken in de Langestraat met een maat van me, Marco. De feestzone tussen de Manuscript en de Lafayette stond naar goede gewoonte volgepakt met jongens en meisjes; in de zomerlucht weerklonk gepraat en gelach; muziek steeg op naar de sterren. We stonden te babbelen over onze favoriete onderwerpen (te weten: films, boeken, en grieten) toen Marco ineens zijn hand opstak naar een man die wat verderop op zijn eentje stond te drinken en te roken. ‘Dat is Stefaan,’ zei Marco. ‘Een oude vriend van me. Vroeger, in zijn gouden jaren, was Stefaan de Don Juan van Oostende. Hij kon zowat elk meisje rond zijn vinger winden, maar toonde nooit echt belangstelling. Hij was erg knap in die tijd, een jonge Ray Liotta.’ Ik tuurde naar Ray Liotta. Hij droeg een wit kort jasje waaruit een bierbuik puilde. ‘Toen hij twintig was, werd hij op de Gistelsesteenweg aangereden door een auto,’ vervolgde Marco. ‘Hij was er erg aan toe, heeft enkele weken in coma gelegen. Hij is daarna nooit meer de oude geworden. Hij woont nu bij zijn vader, en zit nog steeds aan de medicamenten. Af en toe zakt hij af naar de Manuscript, en drinkt hij zich lazarus.’ Stefaan kwam met zijn Hoegaarden in zijn hand bij ons staan.

‘Hoe gaat het, Stefaan?’

‘Goed.’

We nipten alle drie van onze biertjes.

‘Alles goed met je vader?’

‘Jawel.’

Stefaan trok aan zijn sigaret, nam weer een slok van zijn Hoegaarden. Zijn wangen waren pafferig en glommen een beetje.

De barman van de Manuscript had een nieuwe plaat opgelegd. ‘Dat is een goed nummer,’ zei ik, om ook maar iets te zeggen. Stefaan knikte.

‘U2. Uit de periode van The Fly.’

‘1991,’ zei ik.

Stefaan knikte, dronk zijn glas leeg. ‘Wel,’ zei hij tegen Marco, ‘Ik ga naar huis.’

‘Goed, Stefaan. Fijn om je te zien.’

Stefaan gaf ons een hand. Bleef drentelen. Zijn ogen dwaalden af naar het terras van de Manuscript, waar enkele meisjes biertjes zaten te drinken en te lachen.

‘Hoe lang is het geleden dat we hier samen uitgingen en pinten dronken, Marco? In ons stadje?’

‘Ik weet niet… Vijftien jaar geleden?’

‘Het waren mooie tijden, hé Marco.’

‘Ja.’

Stefaan glimlachte en keek naar het uiteinde van de Langestraat, alsof hij zich ervan wilde vergewissen dat dit wel degelijk de weg was die hij moest nemen. Hij schudde ons opnieuw de hand.

‘Wel, tot ziens dan maar.’

‘Tot ziens, Stefaan.’

Plaats een reactie