‘Het moet zijn dat gij veel geld hebt!’ Ik stond net op het punt om mijn sleutel in het deurslot van mijn miniherenhuisje in ‘t Westerkwartier te duwen, toen iemand me met een luide, dagvaardende stem me dit zinnetje toeriep. Nog met de sleutel in mijn hand draaide ik me om naar de straat, me afvragend wie het was die me tot de orde riep. Het was mijn oude overbuurman, die naar goede gewoonte relaxed in zijn portaal stond. Ik vertrouwde mijn loodzware boodschappentas toe aan mijn dorpel, stak de straat over, en ging bij hem staan. ‘Het moet zijn dat gij veel geld hebt,’ herhaalde hij, en hij wees naar de eerste verdieping van mijn huis. ‘Dat gij uw licht de hele dag laat branden!’ Ik tuurde omhoog, en zag warempel dat ik het groot licht in mijn bureau vanmorgen was vergeten uit te knippen. ‘Zo rijk ben ik niet, hoor,’ zei ik verontschuldigend. ‘Ik heb net de jaarlijkse afrekening van de gas en de elektriciteit gekregen. Ik viel bijna van mijn stoel!’ ‘Ik weet het,’ zei hij. ‘Ze trekken u een kloot af waar ge bijstaat.’ We tuurden allebei omhoog naar mijn als kristal schitterende peertje. ‘Hoe gaat het anders met u?’ vroeg ik, terwijl ik een bezorgde blik wierp op mijn volle boodschappentas aan de overkant van de straat. Mijn overbuurman haalde de schouders op. In zijn onderkaak trilde een spiertje. ‘Het is vandaag precies vijf maanden geleden, hé.’ Ik vroeg hem of hij zich een beetje kon redden. ‘Het is zwaar,’ antwoordde hij. ‘Ik kom net van het kerkhof. Ik ga er elke dag naartoe. Ook wanneer het slecht weer is, zoals nu.’
‘Waar ligt uw vrouw?’
‘Op ‘t Nieuw Kerkhof, in de Stuiverstraat. Een mooie plek. Ze ligt er recht tegenover mijn moeder. Ik hoef niet ver te stappen om ze allebei te zien.’
Toen vertelde mijn overbuurman dat zijn moeder nog maar vierenzeventig was bij haar overlijden, in 2008. ‘Dat is niet lang geleden,’ zei ik. Hij knikte. ‘Het is het alleen zijn dat zwaar is. Ik heb zojuist wat américain gekocht voor mijn kat. Voor de rest is hier niemand.’ Toen keek hij me recht in de ogen. ‘Iemand verliezen,’ zei hij. ‘Het staat ons allemaal te wachten. Ook u.’ ‘Dat weet ik wel,’ zei ik bij gebrek aan betere woorden.
‘Als ik iets voor u kan doen…’
‘Bedankt, maatje.’
Ik omklemde de sleutel in mijn hand. ‘Wel,’ zei ik, ‘Dan ga ik mijn licht maar eens gaan uitknippen.’ Ik stak opnieuw de straat over, sleepte mijn boodschappentas naar binnen, en ging naar mijn bureau. Ik keek door mijn raam: mijn overbuurman stond nog steeds op zijn plek in zijn portaal, zijn ogen gericht op mijn eerste verdieping, alsof hij wilde checken of ik wel de daad bij het woord ging voegen. Ik stak mijn hand omhoog, en besloot om het licht nog even te laten branden. Het was per slot van rekening donker en koud voor de tijd van het jaar.