Tuk Op Theater (2): Chet

Wat theater betreft ben ik een leek. Ik heb in mijn leven hoop en al negen of tien theatervoorstellingen bijgewoond! Ik weet natuurlijk wel wie Jan Perceval en Luc Fabre zijn, maar ik ben de eerste om toe te geven dat ik niet vertrouwd ben met de klassiekers; dat ik niet over de juiste referentiekaders beschik om de kwaliteit van een stuk juist in te schatten; dat ik voorlopig te groen ben om een theaterstuk te “plaatsen”. Toch denk ik niet dat ik de bal missla wanneer ik aanneem dat het de bedoeling is van de theatermaker om zijn publiek een heuglijke avond te bezorgen; een aangrijpende ervaring; een betoverende trip. Die heeft Chet, gisterenavond gezien tijdens Theater Aan Zee, me niet gegeven. Tom Vermeir, die ik erg goed vond in het onderschatte Belgica van Felix Van Groeningen, peilt in dit stuk naar de ziel van Chet Baker, de jazztrompettist die zich in 1988 in Amsterdam, waarschijnlijk compleet gedrogeerd, uit het raam van zijn hotelkamer wierp. Vermeirs présence was voelbaar tot de achterste rijen, maar de locatie werkte hem tegen. De oude loods van de NMBS was, met die bakstenen muren en met die afgedekte ramen, totaal ongeschikt om dit stuk op te voeren – probeer maar eens de intieme sfeer van een jazzclub op te roepen wanneer je vlak naast je de trein vanuit Eupen hoort binnenknersen. De waarheid gebiedt me ook te zeggen dat Vermeir geen superbegaafde zanger is: zijn uitvoeringen van Let’s Get Lost en My Funny Valentine klonken niet altijd even toonvast, niet altijd even zuiver. Maar het was, zo voelt de leek in mij, vooral de tekst die tekortschoot. Ik hoorde wel veel dik aangezette metaforen, maar geen poëtische akkoorden, geen ontroerende fraseringen, geen dramatische spankracht. De galmeffectjes waarmee de acteur de hele tijd speelde versterkten de holheid van de monoloog alleen maar. Minuut na minuut voelde ik de frustratie, het ongeduld en de ontgoocheling in mezelf groeien, en ik was blijkbaar niet de enige. Toeschouwers stonden middenin de voorstelling op – fuck die klapstoeltjes – en verlieten de loods, waardoor de grote schuifdeuren aan de zijkant telkens opnieuw dienden te worden opengeschoven en het daglicht brutaal de zaal binnenviel. Dit is natuurlijk onvergeeflijk. Ook al kan een theatervoorstelling je niet bekoren, je blijft zitten en je bijt door, uit respect voor de artiest die met overgave zijn ding staat te doen. Ik had te doen met Vermeir, die met geklemde kaken dapper verder speelde. Het luide applaus op het eind leek me dan ook, veel meer dan een ovatie voor de voorstelling die we net hadden gezien, bedoeld als een poging om de getergde acteur wat moed in te pompen.

Plaats een reactie