De laatste mens op aarde trekt zijn jas aan, beklimt de stenen trap, gooit het luik open, en betreedt de zieltogende aarde. Honderdduizend jaar geleden straalde de zon hier nog heldergeel op zilverblauwe rivieren en hooggroene valleien en majestueuze zilveren steden, maar tegenwoordig werpt de rode dwerg slechts een flets bruinrood schijnsel op het droeve land. Bibberend van honger en kou begint de laatste mens op aarde aan zijn lange tocht. Hij zwerft door diepe kloven, stapt over afgebrokkelde omwallingen, klimt door de spleten van zwarte ruïnes, en springt over koude beekjes. Haastig stapt hij door het oude woud, langs knoestige bomen, tussen vermiljoenachtige lichtbundels die door het lover priemen, en overal waar hij voorbijkomt buigen de varens een beetje voorover, want ze weten dat hij de laatste is, en ze voelen eerbied en mededogen voor hem. De laatste mens op aarde weet dat de honger zal voorbijgaan. Hij weet dat hij vroeg of laat eetbare zwammen zal vinden, hij weet van welke mossen hij moet afblijven, hij weet welke planten geneeskrachtig zijn, en hij weet zelfs hoe hij een stoofpotje moet brouwen van bessen en paddestoelen en boomvruchten. De laatste mens op aarde beschikt over een heleboel praktische vaardigheden, hij beheerst de kunst van het overleven als geen ander, maar op vele andere vlakken is hij totaal onwetend. De geschiedenis van de mensheid is voor de laatste mens op aarde een diepzwart gat. Omdat hij altijd alleen is geweest, geeft hij er zich geen rekenschap van dat hij de laatste is, en omdat niemand hem ooit iets heeft verteld, omdat hij nooit de middelen heeft gehad om het te weten te komen, heeft hij geen enkele notie van de schitterende werken die de mens door de eeuwen heen heeft verwezenlijkt. Hoe de mens de grond hier heeft gewonnen en verbouwd; en hoe hij er machtige steden op heeft gezet. De laatste mens op aarde is als een nietige naklank van het mensdom; een bladzijde die weldra uit het gedenkboek van de aarde zal worden weggescheurd. Zelfs zijn eigen kindertijd is een ondoordringbare mist. Zover zijn geheugen reikt, herinnert hij zich alleen maar de nooit eindigende jacht op voedsel; de zoektocht naar drinkbaar water; en de lange nachten in zijn hol, waar hij met zijn armen rond zijn knieën geslagen naar het brullen van de wind luistert (wordt vervolgd).