De ergste zomerhitte was verdwenen, maar in de Langestraat hing rond middernacht nog steeds een broeierige warmte. Marco en ik hadden ons naar goede gewoonte met onze biertjes op straat geposteerd, naast het volgepakte terras van de Manuscript. Marco was net aan het vertellen over de liederlijke Facetimerelatie die hij met zijn naar Bolivia uitgeweken ex Katinka onderhield, toen ik aan de rand van mijn blikveld een licht storende aanwezigheid waarnam. Drie meter verder stond een jongeman met een biertje in de hand tersluiks naar Marco en mij te turen. Toen hij zag dat ik hem had gezien, zette hij aarzelend een stap in onze richting. Hij droeg een rood T-shirt, een rode bermuda en rode kousen die bijna tot aan zijn knieën reikten, en wanneer hij niet naar Marco en mij stond te loeren, keek hij bedremmeld naar de grond. Opnieuw schuifelde hij een beetje dichterbij. Wie was die jongeman? Een eenzame ziel, een ruziezoeker, een homo? In de wonderlijke microkosmos die de Langestraat is, kun je je – zeker op dit uur – aan eender welke menssoort verwachten. Ondertussen zette Marco zijn verhaal verder. ‘Doe je bloes open, zei ik tegen haar. Je had me moeten horen: ik klonk net als Frank uit Blue Velvet. En ze gehoorzaamde onmiddellijk! Kun je dat geloven? Vroeger had ik een hekel aan de sociale media, maar sinds ik Facetime heb ontdekt…’
‘Wat voert Katinka eigenlijk uit in Bolivia?’
‘Ze werkt er als masseuse.’
Op dit eigenste moment kwam de jongeman in het rood bij ons staan – alsof het woord ‘masseuse’ voor hem het signaal was geweest om alle gêne te laten varen.
‘U heeft het over een masseuse. Ik heb geen masseuse nodig. Maar ik heb wel een afspraak met een neuroloog.’
Tja, wat moet een mens daar nu op zeggen? Marco, zichtbaar geërgerd door de intrusie, zette onmiddellijk twee stappen achteruit en richtte zijn aandacht op zijn Duvel, waarna de jongeman zich exclusief tot mij wendde. Ik had hem aan mijn been.
‘Ja, volgende week zie ik in het ziekenhuis een neuroloog,’ zo stak hij van wal. ‘Voor een uitgebreid neurologisch onderzoek. Hersenscans en zo. En hopelijk gaat hij vervolgens eindelijk een diagnose kunnen stellen.’
Ik stond het mezelf toe om mijn ongenode gesprekspartner een schim van een meevoelende glimlach toe te werpen.
‘Hoezo diagnose? Wat scheelt er?’
‘Ik vermoed allang dat ik een autist ben. Hopelijk gaat de neuroloog mij uitsluitsel kunnen geven.’
‘Waarom denk je dat je een autist bent?’
‘Om te beginnen leg ik moeilijk sociale contacten. Tegelijkertijd ben ik zeer verstandig. Op school noemden ze mij de kleine professor.’ De jongeman kwam nog een stap dichterbij, waardoor onze lijven net niet tegen elkaar schurkten. Ik keek zijdelings naar Marco, die zichzelf veilig en wel op anderhalve meter afstand had gezet. Rond zijn lippen speelde een grijnslachje.
‘Daarnaast ben ik extreem verlegen. Ik denk dus dat ik een autist ben, en ik denk dat ik het van mijn vader heb geërfd. In mijn kindertijd gingen we eens een week op reis met de mobilhome, met mijn vader aan het stuur. Hij heeft tijdens die reis niet één keer gelachen. Alleen de laatste avond: toen zat hij uren aan een stuk te schateren, maar dan zo overdreven luid dat het niet meer normaal was. Volgens mij wijst dergelijk gedrag op autisme.’
Niet alleen was de jongeman intussen veel te diep doorgedrongen in mijn personal space, het begon me ook te irriteren dat hij het uitsluitend over zichzelf had.
‘Het heeft waarschijnlijk niet geholpen dat mijn ouders allebei getuigen van Jehova zijn,’ vervolgde hij. ‘Ik ben opgegroeid in een uiterst beklemmende atmosfeer.’ Op het moment dat hij die laatste lettergreep uitsprak, ‘sfeer’, lanceerde zijn rechtermondhoek een hagelwit vlokje speeksel dat recht in mijn hals belandde. De maat was vol. Hier snel wegraken was nu een halszaak geworden. De Heer weet dat ik, als het op sociale interactie aankomt, in mijn leven al te vaak de rol heb vervuld van wat Louis-Ferdinand Céline omschrijft als “de luisterende voetveeg”; dat ik tijdens gesprekken doorgaans meer klankbord ben dan schetteraar; meer binnenvetter dan uitpakker. Maar genoeg is genoeg: ook luisterende voetvegen hebben het recht om vroeg of laat hun matten op te rollen. Het was Marco die voor de verlossing zorgde.
‘Gingen wij niet naar die afterparty in De Grote Post?’
Opgelucht zette ik een stap achteruit. ‘Jawel!’
‘Gaan jullie weg?’ In zijn stem weerklonk zowaar paniek.
‘Ja, we moeten opstappen.’ Ik plaatste mijn lege bierglas op een tafeltje, stak mijn hand omhoog en beende aan de zijde van Marco de Langestraat uit. Nog één keer keek ik achterom: de jongeman stond ons zichtbaar verbouwereerd na te kijken.
‘Tot ziens!’ riep ik over mijn schouder. ‘En succes met de diagnose!’