Homme de la Rue

‘Fwiet-fwiet!’

Ik was net de Karel Janssenslaan ingewandeld toen ik iemand zacht in mijn richting hoorde fluiten. Even hoopte ik dat het gefluit afkomstig was van een knappe blondine met ranke benen, maar dit was natuurlijk een illusie. Het was twee uur ‘s nachts, en het gefluit steeg op uit de donkere bosjes van het belendende Leopoldpark. Op dat uur, en op die plek, zo vermoedde ik, zouden zich wel geen blondines met ranke benen ophouden.

‘Fwiet-fwiet!’

Opnieuw gefluit, iets scheller nu. Slechts gescheiden door een donkere bomenrij stapten de fluiter en ik naast elkaar: hij onzichtbaar voor mij op de parkweg, ik zeer goed zichtbaar in het oranje licht van de straatlantaarns in de Karel Janssenslaan. Alsof ik in het licht van een volgspot liep, en vanuit de duisternis werd aangegaapt. Was dit nu een geval van seksuele intimidatie? Voelde ik me door het gefluit beledigd, vernederd, behandeld als een seksobject? Niet echt. Integendeel, ik voelde me nog gevleid. Niet dat ik de aandrang voelde om me in de bosjes te werpen en mijn G-Star Raw omlaag te stropen, maar toch: het moet zijn dat ik, ondanks mijn uitdeinende Duvelbuikje, in de ogen van sommige individuen nog steeds een appetijtelijke brok ben.

‘Fwiet-fwíet!’

Het gefluit klonk nu ronduit snerpend. Het individu in de duisternis werd schijnbaar ongeduldig. Wat als de fluiter een allochtoon was? Een geile moslim in een lang gewaad – en niets daaronder? Zou ik me dan nog steeds gevleid voelen, of zou ik het gefluit ineens ‘opdringerig’ vinden, en zou ik ineens van oordeel zijn dat allochtonen ‘geen manieren’ hebben? Tien jaar geleden betrok ik een flat in Molenbeek, in het quartier chaud nabij metrostation Ribaucourt. Een meisje met wie ik in die tijd een korte verkleefdheid had, vertelde me geregeld hoe ze, in de honderd meter die ze te voet diende af te leggen van het metrostation tot aan de voordeur van mijn appartementsgebouw, werd nagefloten en nageroepen door de hangjongeren uit mijn buurt. Meestal ging het niet verder dan een onschuldig ‘Salut, ma petite princesse!’, maar af en toe kreeg ze een iets wellustiger ‘Je te baise!’ rond de oren.

‘Vind je dat erg?’

‘Bwah, neen. Ik wou dat jij eens wat meer ‘Je te baise!’ tegen mij zou roepen!’

‘Ik zeg zulke dingen niet hardop, maar ik denk ze wel.’

‘Dat is het ‘m juist. Ik weet niet wat ik het griezeligste vind: een allochtoon die me naroept op straat, of een muisstille Vlaamse jongen die me op café zit aan te staren en in zijn hoofd vunzige fantasieën heeft over mij.’

‘Fwiet-fwíííííet!’

Het fluitje begon nu een beetje moedeloos te klinken, een beetje wanhopig zelfs. Het begon wellicht tot de fluiter door te dringen dat deze appetijtelijke brok er niet aan dacht om in de bosjes te springen. Ik naderde het einde van de Karel Janssenslaan, en hij het einde van de parallel lopende parkweg. Tenzij de fluiter het lef had om uit de struiken tevoorschijn te springen, zouden onze wegen zich over drie seconden scheiden.

‘Fwiet-fwíííííííííííííííet!’

Ik stak de straat over en liet het park links liggen. Achter mij bracht een man een schreeuw van ontgoocheling uit:

‘Moarrr alléééééééééééééééé!!!’

Duidelijk geen blondine.

 

Plaats een reactie