400 meter

Ineens krijg ik ongelooflijk veel zin in rijst met varkensbrochetten. Ik klap mijn laptop dicht en denk na. Rijst heb ik nog in huis, en de goeie boter en de juiste kruiden ook, maar voor de varkensbrochetten zal ik naar de slager moeten, tweehonderd meter verderop. De varkensbrochetten die je daar kunt kopen, zijn zo lekker en zo puur dat ik er wel tien kan eten. Ik verlaat mijn bureau, waar ik de hele middag hard heb zitten werken, trek mijn jas aan, en open de voordeur van mijn huis in ‘t Westerkwartier. Joseph, mijn oude overbuurman, staat naar goede gewoonte vanuit zijn portaal het va-et-vient op straat in ogenschouw te nemen. In het zomerseizoen durft Joseph weleens in zijn blote bast op zijn dorpel te staan, maar nu het kouder wordt aan zee heeft zelfs hij een pullover aangetrokken. Ik steek mijn hand omhoog. ‘Salut, maatje!’ roept hij. ‘Als ge nog eens van die lekkere tomaten hebt, moogt ge er weer een paar komen brengen!’ Ik knik, trek de voordeur achter mij dicht, en wandel onder een mooie blauwe hemel in de richting van de Torhoutsesteenweg. Nog geen tien meter verder kruis ik Hoessein, die sinds enkele maanden samen met zijn vrouw en zijn dochtertje in een huis op de hoek woont. ‘Alles goed?’ vraag ik. ‘Alles goed!’ antwoordt hij en hij lacht zijn tanden bloot. Hoessein is uit Irak moeten wegvluchten omdat zijn vrijzinnige opvattingen niet strookten met de religieuze denkbeelden in zijn vaderland. Nu leert hij Nederlands spreken, geniet hij van fietstochtjes op de zeedijk, en is hij blij dat hij kan zeggen dat alles goed is. Ter hoogte van de New Passage, ooit een haard van dronkenschap maar sinds enkele jaren een rustig volkscafé, word ik staande gehouden door mijn buurman Dirk. Terwijl hij me van achter zijn brillenglazen aantuurt, vraagt hij me of ik al de tijd heb gehad om zijn persoonlijke YouTubekanaal, waarop hij tweeduizend films heeft geüpload, te bekijken. Ik antwoord dat ik het de laatste weken heel erg druk heb gehad, maar dat ik er binnenkort zeker werk van ga maken. Ik stap verder, sla de hoek om, en wandel de Torhoutsesteenweg op, een slier van drankwinkels, kapsalons, bakkers, flatgebouwen, leegstaande handelszaken en fruitwinkels waar de tomaten, de bananen, de groene pepers en de pompoenen in bakken op het trottoir voor het grijpen liggen. Voor de etalage van de videogamewinkel kom ik Coralien tegen, een mooi meisje dat in mijn straat op nummer 34 woont. Onder haar arm draagt ze een merkwaardig object mee: een in een exemplaar van Het Nieuwsblad gewikkelde forel. De kop van de forel steekt nog net boven de rol krantenpapier uit. Coralien vertelt dat ze van de tekenles komt, waar de studenten vandaag de opdracht kregen om een forel na te tekenen. Na afloop kreeg zij de forel mee naar huis. Ik vraag haar wat ze ermee van plan is, waarop ze lachend antwoordt dat ze nog twijfelt tussen het bakken van de forel of het lezen van de krant. Ik vertel haar dat de schrijver Ernest Hemingway zijn forel het liefst au bleu at, waarna we ieder ons weegs gaan. De slager, een rijzige man in een witte stofjas en met een grappig wit petje op zijn rode hoofd, heeft een nieuwtje voor me: het stadsbestuur heeft beslist om het naburige politiekantoor af te breken. In de plaats komt er een vrije doorgang tussen het Leopoldpark en de Alfons Pieterslaan, een ingreep die volgens hem de winkeliers in die buurt een duwtje in de rug zal geven. Terwijl hij met zijn grote, blote hand in een bak vol varkensbrochetten graait, vertelt hij me dat hij, als kleine zelfstandige, ideologisch gezien weinig redenen heeft om voor de socialisten te stemmen, maar dat hij niettemin vindt dat burgemeester Vande Lanotte goed werk levert in Oostende. Ik neem afscheid en vat de terugtocht aan. Ineens schiet het me te binnen dat ik nog een fles rode wijn moet kopen. Terwijl ik in de voedingswinkel de wijnetiketten sta te bestuderen, hoor ik de kruidenier tegen een oud dametje zeggen dat hij hier al vierenvijftig jaar woont, en dat hij de buurt in die tijd ongelooflijk heeft zien veranderen. Het dametje antwoordt dat ze hier niet zou willen wonen, met al die vreemdelingen. Ik reken af en haast me met mijn varkensbrochetten en mijn wijn naar huis. Joseph heeft zich klaarblijkelijk teruggetrokken in zijn kelderappartement, waar hij, zo stel ik me voor, in de sofa met zijn kat op zijn schoot zit na te denken over de droevige dagen van zijn jeugd. Voor ik mijn huis binnentreed, krijg ik nog een vriendelijke hoofdknik van mijn andere overbuurman, het parlementslid van Groen. Die heeft, zo heb ik op een nieuwssite gelezen, vandaag in Brussel mee zijn zegje gedaan over het omstreden handelsakkoord met Canada, maar nu staat hij met evenveel toewijding zijn kinderen vast te klikken in de auto. Terwijl de varkensbrochetten liggen te kissen in de pan, vraag ik me af hoe het zou zijn afgelopen met de forel van Coralien. De volgende keer dat ik haar zie, zal ik het haar vragen.

Plaats een reactie