‘Hopelijk hoef ik vanavond niet in de hals van een vrouw te bijten. Ik ben vandaag een stukje van mijn goddelijke tanden kwijtgeraakt.’ Marco en ik zaten aan een tafeltje in de Manuscript. Ik trok met mijn rechterwijsvinger mijn bovenlip een beetje omhoog. ‘Zie je? Het is nu officiëel: ik ben aan het afbrokkelen.’
‘Is het dat maar?’ vroeg Marco op schampere toon. ‘Ga gewoon naar de tandarts. Wil je eens iets zien dat wérkelijk onomkeerbaar is?’ Hij boog zich naar me toe en wees naar zijn bakkebaard. ‘Hier. Zie je die grijze haren? Er verschijnen er meer en meer en ze zijn voor eeuwig.’
‘Ik kan je nog iets veel beters laten zien,’ zei ik. Ik trok met mijn linkerhand mijn trui omhoog, en kletste met mijn rechterhand op mijn blote buik. ‘Bierbuik eersteklas. Zelfs al ga ik elke dag lopen als een gek, dit vet zal me nooit meer verlaten.’
‘En wat zeg je hiervan.’ Marco hield zijn hoofd een beetje achterover en wreef met zijn hand over zijn hals. ‘Het onvermijdelijke begin van een dubbele kin.’
‘Ik begin last te krijgen van stramheid,’ zei ik. ‘Als ik uit mijn badkuip stap, moet ik mezelf vasthouden aan de randen van de badkuip, of ik val terug in het water.’
Marco liet me de rugzijde van zijn rechterknuist zien. ‘Mijn eerste pigmentvlekken!’
‘En dit dan,’ zei ik. Ik schoof de bierglazen opzij, legde mijn rechterbeen op het tafeltje, en stroopte mijn G-Star Raw op tot onder de knie. ‘Zie je die witte plek? Enkelhaarverlies. Over enkele jaren zijn mijn benen even glad als die van Tom Boonen.’
‘Laten we klinken op je been!’ riep Marco, en hij hief het glas. ‘Op het been!’ riepen we.
‘Ik geef niet om die dubbele kinnen en die bierbuiken,’ zei Marco, en hij klonk ineens heel erg triest. ‘Dat zijn oppervlaktefenomenen. Weet je wat ik het ergste vind? Dit.’ Hij tikte met zijn wijsvinger op zijn borstkas. ‘De pijn van de afwijzingen en de misgelopen kansen die nooit meer uit je lijf weggaat. Ik ben nu al al vijf jaar single – en echt, ik had nooit gedacht dat dàt me zou overkomen. Vijf jaar! Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Weet je nog, Erik, toen we vijftien jaar geleden samen door de Langestraat liepen? Alles leek mogelijk, de liefde was iets dat ons als een gebraden kip in de mond zou komen vliegen, het leven lachte ons toe. Nu weet ik dat we vooral naïef waren, en dat het leven in werkelijkheid een misselijke grijns is. Ik geef het toe, in het begin van mijn relatie met Katinka was ik euforisch. Ik was zo gelukkig dat ik iemand hàd, iemand om een glas mee te gaan drinken en naar de bioscoop te gaan en om thuis de avonden mee door te brengen, in plaats van daar altijd maar alleen te zitten. En de seks was geweldig. We waren heel erg verschillend, maar daarom klikte het juist zo goed. Ik zag haar graag, maar ik heb het verdomme nooit over mijn lippen gekregen, laat staan dat ik er ooit naar heb gehandeld. Ik heb het verknald, en nu lig ik ’s nachts alleen in mijn bed en ben ik doodsbang dat ik ga eindigen als een eenzame verbitterde oude man.’ Hij zweeg.
Een uur later klapte de deur van de Manuscript achter mij dicht en stond ik op de straatstenen. Ik had een beetje hoofdpijn en een vieze smaak in mijn mond. Het liep al tegen vijven in de ochtend, maar uit de Lafayette en de cafés daarnaast steeg nog steeds muziek en gelach en dof geroezemoes op. Enkele mannen en vrouwen staken zwijmelend de straat over, op weg naar één of andere opwindende keet. Op de hoek stonden enkele jongeren luid te babbelen in het schijnsel van een winkelraam. Een knap meisje in een kort rokje flitste me zonder op te kijken voorbij, op zoek naar wat ze dan ook najoeg. Ik trok de kap van mijn jas over mijn hoofd en vatte de weg naar huis aan.