Het was bijna vier uur, maar uit de Lafayette steeg nog steeds muziek en gelach en geroezemoes op. Ik had hoofdpijn en een vieze smaak in mijn mond. Ik trok de kap van mijn hoodie over mijn hoofd en begon te stappen door de frisse nacht. Enkele mannen en vrouwen staken zwijmelend de straat over, op de hoek stonden enkele jongeren luid te babbelen in het schijnsel van een winkelraam. Een knap meisje in een kort rokje flitste me zonder op te kijken voorbij, op zoek naar wat ze dan ook najoeg. In de pittabar, een droefgeestige bol van neonlicht, zaten enkele mannen als bijeengespoelde stukken wrakhout aan hoge gele tafeltjes hun troostvoedsel naar binnen te werken. Mijn maag knorde. Ik besloot iets te eten, maar eerst moest ik pissen. Ik stapte een stille zijstraat in, knoopte mijn jeans los, mikte mijn straal op een fiets en keek toe hoe de pis het kinderzitje doorweekte. Onder het pissen duizelde ik en ik besloot om een taxi te nemen. Er bewoog iets aan de rand van mijn gezichtsveld – een gedaante maakte zich los van de donkerte van een portiek en de stilte werd versplinterd door een heldere meisjesstem.
‘Ga je naar huis?’
Het was het meisje met de rode anorak dat ik eerder op de avond in de Lafayette had gezien. Een beetje beduusd knoopte ik mijn broek weer toe.
‘Ja, ik ben doodmoe. Woon jij hier in de buurt?’
‘In de Adolf Buylstraat, hahahaha.’
Ik keek naar de ondergepiste fiets. ‘Ja, ik weet het. Schending van de openbare zeden. Beloof je me dat je de politie niet gaat bellen?’
‘Ik beloof het, hahahahaha.’
Haar lach klonk een beetje raar. Zelfs in het karige licht van de gevellampen kon ik zien dat ze bloosde.
‘Heb je de slappe lach? Of zie ik er grappig uit?’
‘Nee, dat is het niet, hahahaha. Ik zit je niet uit te lachen. Hahahahaha. Het is niks persoonlijks. Ik lach niet omdat ik iets grappig vind, en ook niet omdat ik zenuwachtig ben of zo. Jammer genoeg niet, hahahahahaha.’
‘Ik weet wat er scheelt. Je wordt gekieteld door de onzichtbare man.’
‘Nee, en ik heb ook geen lachgas ingeademd. Hahahahahaha. Ik heb een aandoening. Er is iets mis met de bedrading in mijn hoofd. Een disfunctie in de hersens. Ik kan niet stoppen met lachen. Hahahahahaha. Wees gerust, het is niet besmettelijk. Hahahahaha.’
‘Amai. Dat moet vervelend zijn.’
‘Ja.’ Ze stak haar handen nog wat dieper in haar jaszakken. ‘Ik ben mijn eigen wandelende lachband, hahahahaha.’
‘En bestaat daar geen remedie tegen?’
‘Nee. Maar ik probeer het op te nemen met gevoel voor humor, hahahahaha.’
‘Lachen is gezond,’ zei ik, ‘Maar dat mopje heb je waarschijnlijk al duizend keer gehoord.’
‘Ja. Hahahahahahahaha.’
‘Ok. Sorry. Kom je vaak in de Lafayette?’
‘Nee, ik ga niet veel uit. De mensen denken altijd dat ik hen uitlach, hahahahahahahaha. Laatst gingen ze mijn flat komen schilderen. De schilder vroeg in welke kamer hij mocht beginnen, en net op dat moment kreeg ik een lachaanval, een hele zware. Hahahahahahahahaha. Die man kreeg schrik van me en is met zijn borstels op de loop gegaan. Hahahahahahahahaha. Hahahahahahahahahahahahaha.’
‘Gaat het?’
‘Jaja. Sorry. Ik kan het echt niet controleren. Ik lach altijd opnieuw op de verkeerde momenten. Ook wanneer er iets heel ergs is gebeurd. Tijdens de begrafenis van mijn vader bleef ik aan één stuk door lachen, hahahahahahahahahahaha. Soms lach ik zo hard dat ik bewusteloos val. Ik ga mezelf nog eens doodlachen, hahahahahaha. Of mezelf schaterend onder een trein gooien. Hahahahahahahahaha.’
‘Doe maar niet.’
‘Ik ken trucjes. Op de bus kijk ik naar mijn telefoon en doe ik alsof ik lach met een bericht.’
Ik had met haar te doen. Ik wilde iets zeggen, iets waardoor ze zich beter zou voelen, maar ik kon niets bedenken. Ik was doodop.
‘Ik ga naar huis,’ zei ik.
‘Iedereen denkt dat ik oppervlakkig en onbeleefd ben. Maar zo ben ik helemaal niet, hahahahahaha.’ In haar voorhoofd trilde een adertje.
‘Dat weet ik wel.’ Ik keek haar opzettelijk heel strak aan in de hoop dat ze in mijn ogen zou zien dat ik het begrepen had. Ze keek terug en toen glimlachte ze naar me, en ik wist dat het een echte lach was.
‘Ik ben weg,’ zei ik, ‘Ik zie je nog wel.’
‘Haast je nu maar,’ zei ze, ‘Trollen die door het daglicht worden verrast, veranderen in steen, hahahahahahahahaha.’
Vier weken later stond ik aan de tramhalte op het Marie-Joséplein toen ik iemand mijn naam hoorde roepen: ‘Erik! Hela! Erik!’ Aan de andere kant van de straat stond een meisje in een kersrode anorak driftig naar me te wuiven; het was het proestlachmeisje. Ze zette haar handen als een toeter aan haar mond. ‘Wacht!’ riep ze. Ze keek naar links, rechts en stak zo vlug als een kat de straat over. ‘Hallo!’ zei ze. ‘Hallo,’ zei ik. ‘Hoe gaat het met jou?’
‘O, ik ben nog altijd even dement en hysterisch, hahahahahaha. Hahahahahaha. Hahahahahahahahahahahahahahahahahahaha.’
Ze zeeg ineen.
Ik zat geknield naast haar, nam met mijn linkerhand haar handje vast, en tikte met mijn rechterhand een paar keer tegen haar wang. Ze gaf geen enkel teken van leven. Het schoot me te binnen dat ik haar naam niet eens kende. Een dame die er bij was komen staan trok haar mantel uit en vouwde hem met voorzichtige gebaren onder haar hoofd. ‘Wat heeft ze?’ vroeg ze. Ik wist niet goed wat ik moest zeggen. Ik keek de dame aan. ‘Heeft u een telefoon? Misschien moesten we maar een ambulance bellen.’
Een zacht kneepje in mijn hand. ‘Het gaat wel,’ fluisterde het proestlachmeisje. Ze keek me teer in de ogen en glimlachte.
‘Gaat het, juffrouw?’ vroeg de dame.
‘Wilt u wat druivensuiker?’ vroeg een man.
‘Nee, nee… Het gaat wel.’ Ze krabbelde recht. Met z’n drieën ondersteunden we haar – een merkwaardige piëta op het Marie-Joséplein. ‘Dank u, ik kan wel staan,’ zei ze. Ze keek me aan. ‘Erik, zou je me naar huis willen brengen?’
‘Vanzelfsprekend,’ zei ik. Ik schoof mijn arm in de hare. ‘Waar woon je?’
‘Hier vlakbij. Adolf Buylstraat.’
Vijf minuten later stommelden we de trap op naar haar flat. De korte wandeling leek haar een beetje te hebben opgekikkerd; haar blos kwam weer een beetje terug. Ze trok een sleutelbos uit haar anorak. ‘Mijn appartement is heel klein,’ zei ze, ‘Ik ga eerst naar binnen, en daarna kom ik noodgedwongen terug naar buiten om jou binnen te kunnen laten, hahahahahaha.’ Het stelde me gerust dat ze weer kon lachen. Ze duwde de deur open. Ik had het gevoel dat ik een heiligdom betrad. Ik vermoedde dat dit meisje niet veel bezoek kreeg. Ze haalde diep adem en ging me door een smalle maar hoge gang voor naar een piepkleine living die was volgestouwd met vinylen platen en boeken en allerlei snuisterijen. Het rook er naar venkel.
‘Ga zitten,’ zei ze. Ze trok haar anorak uit. Haar pikzwarte jurkje gaf haar de allure van een tragische martelares. ‘Een glas wijn?’
‘Moet jij niet even gaan zitten?’ vroeg ik.
‘Nu even niet.’ Ze knielde neer bij een indrukwekkende rij platen die rechtop tegen de muur stonden, en liet met de toppen van haar wijs- en haar middelvinger de elpees één voor één tegen de rug van haar andere hand kantelen. De elpees vielen met een heerlijk ruisend geluid tegen mekaar. Af en toe trok ze een exemplaar omhoog, waarna ze in één vloeiende beweging de hoes schouwde, de plaat omdraaide, gedurende enkele seconden de achterzijde bestudeerde, en de elpee weer op zijn plaats stak. Uiteindelijk rees ze recht met eentje in haar hand. Ze hield de uitverkorene met haar linkerhand schuin omlaag, liet de papieren binnenhoes in haar rechterhand glijden, en legde de buitenhoes voorzichtig opzij. Daarna hield ze ook de dunne hoes, opnieuw met haar linkerhand, in een schuine hoek omlaag, en liet ze de zwarte schijf behoedzaam, er zorg voor dragend dat haar vingertoppen alleen het ronde label aanraakten, en met een tederheid waar ik, zo had ik op dat moment het gevoel, een puntje aan kon zuigen, tegen de palm van haar rechterhand vallen. Goed uitkijkend dat haar vingers het oppervlak van de plaat niet bevlekten, maakte ze de plaat voorzichtig schoon met een flanellen doekje, waarna ze het middengaatje van de elpee met oneindig veel gevoel over de tip van de platenspeler schoof en de naald in de groef liet zakken. Diep geruis en getik steeg op uit de speakers en ineens was het alsof de kleine ruimte volstroomde met magie. Ze kwam vlak voor me staan en wiegde met gesloten ogen zacht heen en weer op de muziek…
Then I’d taken the kiss of seedcake back from his mouth
Going deep South, go down, mmh, yes
‘Gebeurt dat vaak? Dat je flauwvalt, bedoel ik?’ vroeg ik.
Ze opende haar ogen en keek me een ogenblik geïrriteerd aan, alsof ze het me kwalijk nam dat ik de betovering van het moment had doorprikt. Toen zette ze de muziek een beetje stiller. ‘Af en toe. Soms blijf ik steken in mijn lach. Het heeft iets te maken met zuurstoftekort. Ik zei je toch dat ik mezelf nog eens ging doodlachen?’
‘Dat is niet grappig.’
‘Het is weleens gebeurd.’ Ze wees naar de buste van de oude, bebaarde man die op de hoek van de marmeren schoorsteenmantel stond. ‘Dat is mijn vriend Chrysippos. Hij was een Griekse filosoof die stierf tijdens een lachbui, hahahahahaha.’ Ze schonk rode wijn en ging in de versleten sofa zitten. ‘Er zijn er nog. In 2003 begon Ramnoen Saen-um, een Thaïse ijsverkoper, in zijn slaap onbedaarlijk te lachen. Zijn vrouw slaagde er niet in om hem wakker te schudden, en na twee minuten ononderbroken schateren stopte hij met ademen, hahahahahahaha.’
Ik nipte van de wijn. ‘Nog van die macabere gevallen?’
‘In 1989 stierf een Deen terwijl hij naar A Fish Called Wanda zat te kijken. De wetsdokter schatte achteraf dat zijn hart tijdens de fatale schaterbui tussen 250 en 500 keer per minuut had geklopt. Zoiets is echt niet gezond, hahahahahahaha.’ Ze richtte haar blik op een rafelige scheur in de sofa. ‘Ik vraag me af tijdens welke scène die Deen het loodje liet. Zo grappig vond ik A Fish Called Wanda niet, hahahahahahahaha. Hey! Weet je wie mijn favoriete filmpersonage is?’
‘The Joker?’
‘That’s a bingo! Hahahahahahahahaha.’
Ik nam nog een slok en zweeg. Nu de zon was ondergegaan was de lichtglans in het appartement versprongen van roodkleurig naar loodgrijs. Uit sommige hoeken van het hoge gelambriseerde plafond leken gigantische spinnewebben te groeien.
‘Ik ben van de weeromstuit een specialiste van de lach geworden. Wist je dat ratten kunnen lachen? Wanneer je ze kietelt stoten ze een ultrasoon geluid uit. Ze voelen zich best lekker wanneer ze worden gekieteld, maar ze lachen het hardst wanneer ze liggen te neuken, hahahahahahaha. Hoe ouder ze worden, hoe minder vatbaar ze worden voor gelach en gekietel. Het lachen vergaat hen. Ik bid dat mij hetzelfde overkomt, hahahahaha. Hahahahahahaha. Hahahahahahahahahahaha.’
Ik was bang dat ze opnieuw in zwijm ging vallen. Ze ging languit in de sofa liggen en tuurde naar het plafond. De avond borstelde obscure vormen en vlakken in het appartement. Het arduinen gelaat van Chrysippos ging al half schuil in de schaduw. Ik dronk meer wijn en leunde achterover in mijn zeteltje.
‘Mijn ouders hebben me ooit laten opnemen in een psychiatrische instelling.’ Ze klonk slaperig. ‘Ze vonden mijn gedrag te storend, mijn familie vond het te storend, mijn vrienden vonden het te storend. Ze hebben toen een paar keer elektroden in mijn hoofd gestoken. Mijn hersenen onder stroom gezet. Na elke behandeling moest ik oncontroleerbaar huilen, en ik voelde me rot en depressief en waardeloos en ik dreigde ermee mijn polsen over te snijden met een plastic mesje uit de kantine. Ze hebben de behandeling dan maar stopgezet, hahahahahahahahaha.’ Ze keek me aan. ‘Ik heb ook meditatielessen gevolgd bij een zenmeester. Zelden zo hard gelachen, hahahahahahaha.’
‘Ik wist niet dat… Dat het zo verschrikkelijk was.’
‘Wist je dat Freud over de lach heeft geschreven? Freud zei dat lachen één van de beste manieren is om het lijden van het leven te verzachten. Volgens hem is de lach een verdedigingsmechanisme.’
‘En? Heeft hij gelijk?’
‘Ik lach liever dan dat ik angst of haat of verdriet voel, hahahahahahaha.’
Mijn glas was leeg. De invallende duisternis gaf me het vreemde idee dat de salontafel, de sofa, het zeteltje, de platen en de boeken, en wij, schimmen in de schemering, bevroren waren in tijd en ruimte, terwijl de schaduwen en de silhouetten vrij spel hadden en ons omsingelden, ons omwikkelden, alsof ze ons bijeen wilden houden. Ze lag nu helemaal in het donker, en haar stem klonk flauw en mat, alsof ze zich al in een soort voorslaap bevond.
‘Ik wens niet langer te leven. Ik wil niets meer zien, niets meer horen, niets meer voelen. Ik heb genoeg van het leven. Ik ben hopeloos. Ik wou dat ik kon sterven en weer tot leven komen zonder lach op mijn gezicht, hahaha.’ Ze klonk ijler en ijler. ‘Ik weet hoe het moet. Die gedachten naar het onderbewustzijn laten zinken. Nu zijn ze er nog, nu flitsen ze nog rond in mijn hoofd. Maar straks laat ik ze naar beneden zinken.’
Haar stem steeg nauwelijks hoorbaar omhoog vanuit die peilloze zone tussen dromen en waken. Heb je het nieuws gehoord? Ze gaan de oude watertoren restaureren. Ze gaan er een lichtbaken voor de stad van maken.’
Ze was in slaap gevallen. Het ritmische, door de speakers versterkte gebons van de naald die niet losraakte uit de uitloopgroef van de plaat, resoneerde door de kamer als een luide elektrogram van haar hartslag. Ik stond recht, liep zo stil mogelijk in de richting van het oranje lichtje van de platenspeler, hief de klep omhoog, en plaatste de arm op de houder. Het was bladstil nu. De aangefloepte straatlantaarns wierpen een felle oranje lichtschijn door de hoge ramen. Boven de platendraaier had ze een reeks negentiende-eeuwse prenten tegen de muur gehangen die de verschillende stadia van de lach voorstelden: fijne lach, brede lach, schaterlach. Daarboven een grote foto van een lachende oerang-oetan. Een afdruk van de Mona Lisa. Een affiche van de film The Man Who Laughs. Een still uit de zweefscène uit Mary Poppins. Veel potloodtekeningen van lachende mensen. Foto’s van een grijnzende Jack Nicholson, The Joker, Mickey Mouse, de Cheshire Cat. Tegen de deur een poster met daarop de woorden NUCLEUS ACCUMBENS en een afbeelding van de hersenen. Met de deurknop al in mijn hand keek ik nog eens naar het meisje, vast in slaap op de sofa, de ogen toegedrukt, de lach voor het ogenblik weggestorven.