Risjaar Drei

‘Nog goed dat we een papier hebben gekregen met uitleg wie wie is,’ zo hoorde ik de dame in het stoeltje naast me tegen haar echtgenoot zeggen. Ikzelf had de brochure met daarin de rolverdeling maar vluchtig bekeken, en besloot te vertrouwen op de kennis die ik had overgehouden aan de film Richard III van Richard Loncraine. Wat ik van die magistrale film uit 1995, waarin de rol van Richard III wordt gespeeld door een grootse Ian McKellen, heb onthouden, is dat Richard the Third zó gebrand was op de Engelse troon dat hij zich ontpopte tot een gruwelijk persoon: broedermoordenaar, kindermoordenaar, verraderlijke werkgever en algemeen slachter van mensen; een wreedaard die kampt met zulk een groteske zelfhaat dat het wel lijkt alsof hij in een claustrofobische gevangenis zit opgesloten met zijn eigen boosaardige ik. Wat ik wél had gelezen in de brochure, is dat Risjaar Drei is gebaseerd op Richard III van Shakespeare, op Risjaar Modderfokker den Derde van Tom Lanoye en Luk Perceval, op Richard III van Willy Courteaux en op Richard III van Wannes Van de Velde. Volgens mij hebben de makers ook héél goed naar de tot hardop grinniken aanzettende film van Richard Loncraine gekeken. In Risjaar Drei is het Peter Van den Begin die in het mismaakte lijf van Richard kruipt; de hoge knieën naar elkaar toegezonken, de rechterarm slap langs het lichaam hangend. Een even meelijwekkende als dreigende figuur, die niettemin ook duivels charmant uit de hoek kan komen. En net als de andere acteurs, onder wie Jan Decleir en Marc Van Eeghem, de rijmen van Shakespeare met verrassend veel bravoure in plat Antwerps omzettend. Het gezelschap bracht op de bühne van De Grote Post, tot hoorbaar genoegen van het geregeld in lachen uitbarstende publiek, een vermakelijk spektakel; het was steevast gniffelen geblazen wanneer Van den Begin zich, in regelrechte Frank Underwood-stijl, samenzweerderig tot het publiek richtte ten einde een beetje meer duiding te geven bij zijn vileine gedrag. Het dialect, de hilarische pruiken, de knipoogjes naar het publiek: de spelers van Olympique Dramatique trokken met hun versie van Richard III voluit de kaart van de humor. Een artistieke keuze als een andere, waarvoor de theatermakers naar mijn gevoel een té hoge prijs betaalden: op geen enkel moment groeide Risjaar uit tot een tragische figuur; in geen enkele scène wisten ze de verschrikkingen die de personages moeten ondergaan echt voelbaar te maken. De moord op de twee neefjes van Risjaar in de Tower: het zou je een dreun moeten verkopen, maar de beslissing om de kinderen neer te zetten als schertsfiguren, zoog alle tragiek weg uit het drama. De acteurs zaten de tenen van het publiek aldoor te kietelen met een veertje, terwijl het geen kwaad had gekund om af en toe eens de bijl boven te halen. Op het moment dat Van den Begin neerzeeg en zijn laatste zinnen declameerde (‘Een peerd, een peerd’), zag ik niet het heengaan van een verschrikkelijk eenzame en getormenteerde figuur, maar alleen maar het einde van een amusant theaterstuk.

Plaats een reactie