Taxi/Flashback naar Molenbeek

Met haastige tred loop ik door de nacht naar de taxistandplaats aan de voorkant van het treinstation. Bussen rijden in deze stad niet meer rond op dit late uur, en ik ontzie het om te voet naar huis te gaan. De hippe vogels onder u zullen nu waarschijnlijk zeggen dat ik een beroep zou kunnen doen op Uber, maar ik betwijfel of er op deze plek op aarde Uberchauffeurs rondtuffen, en bovendien ben ik nogal verslingerd aan de ouderwetse taxi. Ik blijf het een onbetaalbare sensatie vinden om op die klaarstaande zwarte auto af te stappen, mijn hand op te steken, en om die goedkeurende hoofdknik te zien. En om vervolgens een praatje te kunnen slaan met de man of de vrouw achter het stuur. Taxichauffeurs vormen een ras apart. Ze hebben vaak sterke verhalen te vertellen, ze krijgen figuren uit alle geledingen van de maatschappij over de achterbank, ze weten wat er leeft in de stad. Het waren trouwens de Brusselse taxichauffeurs (die van allochtone origine) die mij er twaalf jaar geleden al op wezen dat hun kinderen zich op een gladde weg bevonden. Ik – nog heel erg piep, toen – betrok in die tijd een flatje in Molenbeek, vlakbij het beruchte metrostation Ribaucourt. ‘Mijn zoon is zestien, en ik heb niets meer over hem te zeggen,’ zo vertelde een taxichauffeur me ooit. ‘Als ík me misdroeg, dan haalde mijn vader de riem boven. Maar mijn eigen zoon lacht me uit in mijn gezicht. Hij heeft geen enkel respect voor mij. Voor niemand.’ Andere taxichauffeurs vertelden me gelijkaardige verhalen. En ook die goede meneer El Mokhtar, de kruidenier bij wie ik mijn brood en mijn water kocht, liet zich meer dan eens in sombere bewoordingen uit over de jeugd van Molenbeek. ‘Ze luisteren niet meer naar de ouderen,’ sprak hij met klaaglijke stem, wijzend naar een groepje jongeren aan de overkant van de straat. ‘Ze doen wat ze willen. Het zijn kleine criminelen!’ En vervolgens bood hij aan mij, blanke inwoner van de wijk, zijn verontschuldigingen aan: ‘Vergeef het ons, meneer. We zijn hen aan het verliezen.’ Soms gebeurde het dat ik aan de ingang van het metrostation met één van hen aan de praat raakte.

‘Waarom hang je eigenlijk de hele dag rond op straat?’

‘Thuis heb ik niks te zoeken. Mijn vader ranselt me af.’

‘Je kunt misschien werk zoeken,’ probeerde ik. Ik had verdorie straathoekwerker moeten worden.

‘Waarom zou ik? Niemand geeft ons werk. Zeker de Vlamingen niet. Vlamingen zijn racisten. Heeft u een sigaret voor me?’

Met zacht zoemende motor suist de taxi door de nachtstille straten van Oostende. De straatlampen werpen een dromerige gloed in de auto, de radio brengt een oude song van Supertramp, Take The Long Way Home.

‘Mooie dag gehad, meneer?’ Twee blinkende ogen staren me aan vanuit de achteruitkijkspiegel.

‘Jawel. Ik ben net met de nachttrein teruggekeerd uit Brussel.’

‘Brussel! Fijne stad. Ik heb er jarenlang gewoond en gewerkt.’

‘Als taxichauffeur?’

‘Maar neen!’ Een zweem van verontwaardiging in zijn stem. ‘Als boekhouder voor een groot bedrijf! Maar toen kregen we kinderen en zijn we naar Oostende verhuisd.’

‘En woont u hier graag?’

‘Zeker! Ik hou van de zee. Alleen spijtig van al die racisten hier. Er zijn zelfs mensen die mij op het einde van de rit weigeren te betalen. Alleen maar omdat ik een ander kleurtje heb! Spijtig, spijtig.’

And take the long way home, take the long way home. Gedurende de rest van de korte rit mijmer ik over de morele terugval die onze samenleving momenteel beleeft. Over de steeds groter wordende barsten in het dunne laagje vernis dat we beschaving noemen.

‘Is het hier, meneer?’ Ik wijs mijn huis aan, overhandig hem een biljet van tien euro (nachttarrief), en schud hem zo warm mogelijk de hand.

Een gedachte over “Taxi/Flashback naar Molenbeek

Plaats een reactie